titel

- ICT - OUDE COMPUTERS - ICT- HISTORISCHE COMPUTERS - ICT - MUSEUMSTUKKEN - ICT - HIER VIND JE ELKAAR - ICT -

 

SCEN: Collectievorming binnen en buiten musea

door Loes Peeperkorn-van Donselaar, adviseur van SCEN

Direct naar de Powerpoint-presentatie >

Tussen 1990 en 2004 was ik directeur van het Belasting & Douanemuseum in Rotterdam (B&DM). Dat heeft een kleurrijke en gevarieerde collectie in huis. Tot mijn verrassing bleek er ook nog een deelcollectie in het Automatiseringscentrum van de Belastingdienst in Apeldoorn te zijn. Die collectie vertelde het verhaal van de automatisering bij die dienst sinds het eind van de jaren 1940.

Individueel initiatief medewerkers

De collectie was door individueel initiatief van enkele medewerkers van die afdeling ontstaan. Zij voelden zich sterk verbonden met de apparatuur waarmee ze werkten. Het was allemaal zo nieuw dat men echt het gevoel had met iets bijzonders bezig te zijn. Daarom bewaarde men apparaten die werden vervangen door nieuwere modellen. Zo ontstond geleidelijk een omvangrijke verzameling oude computers en alles wat daar bij hoorde. Een bedrijfscollectie was geboren.

De directie van het Automatiseringscentrum stond deze ontwikkeling oogluikend toe. In de jaren 1970 werd een Museumcommissie benoemd die verantwoordelijk was voor het beheer van de collectie. Betrokken medewerkers, ook als ze eenmaal waren gepensioneerd, waren er lid van en hielden de collectie in stand en op orde.

Het B&DM was eveneens lid van deze commissie en op een gegeven moment kreeg het museum de verantwoordelijkheid voor de collectie ‘Geschiedenis van de automatisering bij de Belastingdienst'. Vanuit het museum adviseerde men de vrijwilligers op het gebied van beheer en behoud en ook ten aanzien van selectie en expositie.

Gedurende jaren waren gepensioneerde medewerkers van het Automatiseringscentrum bezig de collectie in kaart te brengen. Zij legden onder andere een omvangrijke fotocollectie aan. Ook verzorgden zij exposities op zichtlocaties in het Automatiseringscentrum. De eigen ICT-geschiedenis was ‘hot' zou je kunnen zeggen.

Collectie als ballast?

In de jaren 1990 veranderde dit geleidelijk. Een nieuwe generatie trad aan en deze had weinig affiniteit met het verleden. De collectie werd als ballast beschouwd. Er was ruimtegebrek en het kwam er ten slotte op neer dat men de collectie kwijt wilde.

Vanaf het moment dat ik kennismaakte met de collectie, in 1990, werd ik geplaagd door de vraag wat te doen met deze objecten. Het B&DM beschikte toen nog niet over een officieel verzamelbeleid, dus daar was geen houvast te ontdekken.

Hier zal ik het verder niet hebben over de collectie geschiedenis van de automatisering bij de Belastingdienst. Het gaat nu over de ontwikkeling van het nationale beleid voor ICT erfgoed.

Werkgroep Verzamelbeleid Historische Computers (WVC)

In Tilburg bleek museum het Scryption dezelfde problemen te hebben. De Stichting Moretgroep Collectie, onderdeel van wat nu Ernst & Young heet, bezat een omvangrijke collectie rekenmachines. Deze waren ondergebracht bij het Scryption. In combinatie met hun eigen collectie historische ICT objecten dreigde het depot dicht te slibben. Net als bij het B&DM waren de pioniercomputers de ruimtevreters. En dat terwijl ze meestal incompleet waren. De software ontbrak in veel gevallen. Je kon ze sowieso niet makkelijk werkend laten zien omdat daarvoor aan allerlei voorwaarden moet worden voldaan, zoals op het gebied van stroomvoorziening en vloerbelasting.

Scryption en Stichting Moretgroep Collectie waren op zoek naar musea met vergelijkbare collecties om te kijken hoe men daar de zaak aanpakte. We waren het er snel over eens dat dit nieuwe erfgoed een gezamenlijke aanpak verdiende. De computer was niet uitsluitend in gebruik bij een en dezelfde bedrijfstak, maar bezig aan een opmars binnen de gehele samenleving. We vormden de Werkgroep Verzamelbeleid Computerhistorie (WVC) en stonden van het begin af aan open voor uiteenlopende verzamelaars, zowel individueel als vanuit instellingen, wetenschappers en andere geïnteresseerden. Feit was namelijk dat dit nieuwe erfgoed van meet af aan vooral buiten musea werd verzameld. Het ging vooral om mensen (mannen!) die werkzaam waren binnen de automatisering en vandaar uit gingen verzamelen.

Nationaal verzamelbeleid

Door middel van een nationaal verzamelbeleid konden de collecties op elkaar worden afgestemd. Voordeel daarvan was dat het aantal objecten zou afnemen. Het beheer van een voor Nederland representatieve collectie zou efficiënter kunnen. Persoonlijk pleitte ik voor een nationaal depot waar collectiehouders hun collectie konden onderbrengen. Binnen het depot zou een studiemogelijkheid moeten komen voor onderzoek naar de ontwikkeling van de ICT en het effect daarvan op de Nederlandse samenleving. Een nationaal computermuseum hoorde toen en ook nu niet tot de doelstellingen.

De WVC groeide uit tot een gezelschap van ongeveer 12 personen. We kwamen meestal vier keer per jaar bij elkaar en maakten dan een ‘rondje langs de velden'. De verschillende gebieden op collectieterrein passeerden de revue. Kennis en ervaringen werden gedeeld en objecten uitgewisseld.

Stevige discussies

Van het begin af aan waren er stevige discussies. Meningen stonden vaak diametraal tegenover elkaar. Opvallend vond ik dat men aan het eind van zo'n woordenwisseling vaak niet zo ver uit elkaar bleek te liggen. Het was meer dat men niet op dezelfde golflengte bleek te zitten.

Het ging bijvoorbeeld om het wel of niet werkend maken van oude computers. En zo ja, moest dat dan met behulp van uitsluitend oorspronkelijke onderdelen, of mocht je concessies doen om de werkelijkheid van vroeger na te bootsen.

Binnen het gezelschap waren er verschillende stromingen. Enerzijds had je de mensen die zich concentreerden op de technische werking van ICT apparatuur, anderzijds waren er de onderzoekers die prioriteit gaven aan het effect van de komst van de ICT op de samenleving.

Kortom, het waren werelden apart. De verschillende invalshoeken van mensen uit de museumwereld en uit de hoek van de bedrijfscollecties en individuele verzamelaars droeg daar ook toe bij. Dit laatste bedoel ik beslist niet negatief. Het is een ervaringsfeit dat dit verschil bestaat en invloed heeft op de onderlinge communicatie!

Erfgoedgemeenschap avant la lettre

Met de kennis die ik nu heb, kan ik zeggen dat het kleine gezelschap dat lid was van de Werkgroep, een erfgoedgemeenschap avant la lettre vormde.

Dat we het zo vele jaren met elkaar volhielden, ondanks de vele schermutselingen, kwam doordat we uiteindelijk over en weer grote waardering voor elkaar kregen. De bezoeken aan elkaars collecties én de excursies die we een enkele keer organiseerden, droegen hier zeker toe bij. We leerden elkaar beter kennen en dat hielp bij het kweken van wederzijds begrip.

Alvorens een gezamenlijk nationaal verzamelbeleid te formuleren, besloten we een landelijke inventarisatie te maken van collectiehouders op het gebied van ICT-apparatuur. De publicatie van ‘Collectie Nederland Oude Computers', van Gerard Alberts, vond plaats in 2000. Rik Vos, de toenmalige directeur van ICN kreeg het eerste exemplaar aangeboden. De Mondriaan Stichting financierde dit project.

SCEN opgericht

In 2002 organiseerden we in samenwerking met ICN (tegenwoordig RCE) een expertmeeting over het verzamelbeleid op het gebied van computerhistorie. Met het oog op een transparant financieel beleid besloten we de werkgroep te vervangen door een stichting. Zo ontstond in 2003 de Stichting Computer Erfgoed Nederland (SCEN). Het bestuur werd gevormd door rechtspersonen – dat wil zeggen instellingen met een collectie historische computers. Een Raad van Advies staat het bestuur met raad en daad ter zijde.

Het bestuur stelde zich tot taak een nationaal verzamelbeleid te ontwikkelen en de contacten met alle collectiehouders in het land te onderhouden door het organiseren van platformbijeenkomsten. In 2005 was dit Nationaal Verzamlebeleid, mede dankzij Max Popma, een feit.

Stappenplan

SCEN formuleerde ondertussen ‘Het Stappenplan 2005-2010'. Dit bevatte projecten die ertoe moesten bijdragen dat het draagvlak voor het nieuwe erfgoed dat de ICT oplevert, zou versterken en verbreden. Doelgroepen waren behalve ingewijden binnen de wereld van de verzamelaars, ook het publiek; jong en oud.

De projecten waren:

Het Stappenplan is succesvol afgesloten. Alle doelen zijn gehaald. Chronisch probleem voor SCEN was en is ondertussen het feit dat geen van de bestuursleden het beheren van computercollecties als kerntaak heeft. We beschikken immers niet over één centraal computermuseum! De activiteiten moeten daarom in de marge van de reguliere werkzaamheden plaatsvinden. De financiële middelen zijn beperkt waardoor projectkrachten slechts mondjesmaat kunnen worden ingehuurd.

De veranderende zienswijze op de verhoudingen tussen museumprofessionals en individuele verzamelaars en houders van bedrijfscollecties enerzijds én de ontwikkeling van de digitale, sociale media anderzijds, zijn aanleiding om SCEN te willen transformeren in een erfgoedgemeenschap, zoals bedoeld in de Conventie van FARO (zie eventueel omschrijving op de website erfgoedtermen.nl).

Eigentijdse erfgoedgemeenschap

De gezamenlijke doelstelling om ICT erfgoed en geschiedenis te behouden voor toekomstige generaties, zal alle betrokkenen inspireren en tot positieve resultaten leiden. Over de plannen voor het opzetten van een eigentijdse erfgoedgemeenschap heeft SCEN het afgelopen jaar intern en extern het nodige overleg gevoerd.

Op de eerstvolgende Platformbijeenkomst van SCEN (op 9 december 2011) zal vooral gesproken worden over de wijze waarop zo'n erfgoedgemeenschap gestalte kan krijgen. Het jaar 2012 zal dan door SCEN worden gebruikt om voldoende financiële middelen te genereren, zodat het erfgoed van onze ICT-geschiedenis inderdaad via gemeenschappelijke actie aan volgende generaties doorgegeven kan worden.

Naar de bijbehorende Powerpoint-presentatie >