
- door dr. Gerard Alberts
"Weinigen realiseren zich, dat deze grootste van alle uitvindingen sedert de stoommachine, voor de wereld een geheel nieuw tijdperk inluidt".
Hoogleraar sociologie Fred Polak in zijn inaugurele rede (1949) over de "moderne rekenmachines" (TIN 20-I, p.298)De historische ontwikkeling van de computer begint in de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland als onderdeel van de oorlogsinspanningen. De eerste heel grote elektronische rekenautomaat, de ENIAC, kwam gereed in 1946 in Philadelphia. Het werk aan deze machine had Mauchly, Eckert, Burks en Von Neumann geïnspireerd tot een radicaal nieuw idee, de stored program computer. Met de Engelse realisatie van dit concept, in 1948 in Manchester en in 1949 in Cambridge, laat de geschiedschrijving gewoonlijk de computer in strikte zin beginnen. Met voorbijgaan aan de langere historische ontwikkelingslijnen, beperkt dit overzicht zich tot de periode na 1945.
Opmaat
De Engelse primeurs vormden de opmaat tot een decennium
van experimentele computerbouw, ook in Nederland. Het ging
om unieke exemplaren die lokaal ontwikkeld werden. Uitzondering
vormden de machines van Univac in de Verenigde Staten en van
Ferranti uit Manchester die vanaf 1951 op bestelling beschikbaar
waren. Ook IBM, traditioneel fabrikant van ponskaartenapparatuur,
begaf zich op deze markt en verhuurde vanaf 1953, de IBM 650, "de
T-Ford onder de computers".
De Nederlandse computerontwikkeling was kleinschaliger
dan in de VS of Engeland, maar niet eens heel veel later:
op 21 juni 1952 nam het Mathematisch Centrum de eerste rekenautomaat,
de Automatische Relaisrekenmachine Amsterdam, feestelijk in
gebruik. Het eerste exemplaar van de IBM 650 in Nederland
werd in 1957 geïnstalleerd, bij de Heidemij in Arnhem.
Omdat met de verbreiding van computers over alle werkplekken
en huiskamers in de jaren 1990 een nieuw tijdperk lijkt te
zijn aangebroken, beperkt SCEN zich vooralsnog tot het tijdvak
1945 - 1990, al zal voor de historische helderheid af en toe
wel eens een blik over de grens van dit jaartal worden geworpen.
Het tijdvak 1945 - 1990 laat zich aan de hand van de technische
ontwikkeling van de computer en ontwikkelingen in het gebruik
ervan verder in perioden onderverdelen. Omdat we de geschiedenis
van de computer niet los willen zien van algemeen-technische
en algemeen maatschappelijke ontwikkelingen, hebben we ook
daar met de verdere periodisering van de Nederlandse computergeschiedenis
rekening mee gehouden. We onderscheiden drie lagen:
1948 - 1958: eerste computers in benauwde jaren vijftig
Het eerste decennium, 1948 – 1958, was de tijd van wederopbouw en voorzichtige economische groei. De overheid investeerde structureel in wetenschappelijk onderzoek. Wetenschapsbeoefening nam grootschalig georganiseerde gestalte aan. De eerste receptie van het idee van computers was de vestiging van een Rekenafdeling als onderdeel van het op 11 februari 1946 opgerichte Mathematisch Centrum. Hans Freudenthals artikel over computers in De Groene Amsterdammer van 30 maart 1946 was wellicht het eerste bericht in de pers. In weerwil van de mening van de Engelse computerpioneer Douglas Hartree, dat in de rekenbehoefte van het vasteland van Europa wel kon worden voorzien op de Engelse machines, ontwikkelden de meeste Europese landen eigen computers. Aanzetten tot de eigenlijke bouw van computers in Nederland waren er in de late jaren 1940 in Delft (Van der Poel in een project aan de Technische Hogeschool) en in Amsterdam (de groep van Van Wijngaarden aan het Mathematisch Centrum). In de jaren vijftig bouwden het Mathematisch Centrum, het Centraal Laboratorium van de PTT, en het Philips Natuurkundige Laboratorium experimentele computers. Shell en de Heidemij kochten een computer van Engelse, respectievelijk Amerikaanse makelij. De debatten over de maatschappelijke gevolgen van computers (Keesing en ESB 1956) waren kenmerkend voor de benauwde jaren vijftig.
1958 - 1968: optimisme en experimenteerdrift
In 1958 liep het tijdperk Drees ten einde en werd de geleide loonpolitiek losgelaten. De cultuur bruiste van experimenteerdrift. In computerbouw en automatisering brak een nieuw tijdperk aan met in serie gebouwde, meer geavanceerde computers (ZEBRA, Electrologica X1, PASCAL en Stevin van Philips); machines van de tweede generatie. Er was voldoende beweging in de automatisering om enerzijds het Nederlands Rekenmachine Genootschap (1958) op te richten, anderzijds de Stichting Studiecentrum Administratieve Automatisering (1959). De toonzetting van de commentaren was opmerkelijk optimistischer dan voordien. De Postcheque- en Girodienst automatiseerde de verwerking van salarisrekeningen. Universiteiten en bedrijven richtten rekencentra in, er kwamen cursussen en de eerste servicebureaus op het gebied van computergebruik dienden zich aan. Philips zette een eigen computerindustrie op in Apeldoorn.
1968 - 1978: bloeiende automatisering op een breukvlak
Vanuit sociaal-economische, politieke en sociaal-culturele invalshoek was het eind van de jaren 1960 een breukvlak in de Nederlandse geschiedenis, met provo en Maagdenhuis-bezetting. De Nederlandse computerbouw floreerde minder dan voorheen, wat zeker te maken had met de aankondiging van de IBM System 360, een machine die de nieuwe generatie computers, de derde generatie, definieerde. De eerste IBM 360 werd in Nederland geleverd in 1967. De informatica als wetenschap en de automatisering bloeiden daarentegen volop in de jaren zestig. Nederlandse informatici speelden internationaal een prominente rol. 1967 was ook het begin van de software branche in Nederland. Prominente softwarehuizen werden opgericht en vakbladen verschenen. In deze periode gaf ook de overheid aanzetten tot het inrichten van informatica- opleidingen; de academische informatica-opleiding kwam er echter pas in 1981.
De periode 1968-1978 was die van flower power en milieucrisis. Ook informatici liepen op sandalen. Automatiseerders in het bedrijfsleven beleefden goede tijden in een Nederlandse markt, die een eigen karakter had als gevolg van de relatief kleine omvang. De automatisering professionaliseerde, al kristalliseerde zich niet direct een beroep uit. Op het terrein van de Nederlandse computerbouw werden de jaren zestig met de teloorgang van Electrologica gevolgd door een decennium van mislukkingen aan de kant van Philips. Computergebruik ontwikkelde zich met buitenlandse producten van uiteenlopende categorieën in de verschillende sectoren. Rekencentra in de commerciële wereld werkten met grote mainframes van IBM en andere fabrikanten. In wetenschap en techniek verwierven meer en meer laboratoria hun eigen rekenmachines, met name de zogenaamde minicomputers- nieuwe machines die dankzij de miniaturisering (integrated circuits) binnen het bereik van kleinere eenheden kwamen. De PDP 11 was het werkpaard van de laboratoria in de jaren zeventig; deze machine vindt men tegenwoordig in diverse verzamelingen terug. Nog kleiner waren de bureaucomputers van IBM, Siemens en Wang die de automatisering van middelgrote kantoren mogelijk maakten. Over deze onderlaag van de automatisering in Nederland is vrijwel niets bekend; de IBM 32 en IBM 34 en vergelijkbare machines treft men wel in collecties aan.
1978 - 1990: reactie, depressie en de Personal Computer
De "computer on a chip" of microcomputer was dan
wel in 1970 uitgevonden, eerst in de loop van de jaren zeventig
werd deze de kern van een hobby- of micro-computer. In 1977
werd de HCC, hobby computerclub, opgericht en dat is een geschikte
afbakening voor de volgende episode. Aanvankelijk waren markt
en gebruikers van microcomputers geheel gescheiden van de
wereld van informatica en automatisering. De huidige collecties
op het gebied van computer-erfgoed weerspiegelen dat ook.
IBM stapte in 1980 in deze markt, lanceerde in de zomer
van 1981 de IBM Personal Computer en schiep daarmee een geheel
nieuwe markt. Voor Nederland is deze markt gevestigd in 1984/85.
Van Commodore en Apple tot IBM PC; de episode van 1977 tot 1984 was
die van de domesticatie van de microcomputer.
Cultureel demonstreerde men tegen kruisraketten en startte
een episode van punk, politieke reactie (Thatcher, Reagan,
Lubbers) en economische depressie.
De overheden namen wel initiatieven tot innovatie op ict-terrein,
maar daarvan was eigenlijk alleen de Japanse succesvol: het
MITI riep de nooit gerealiseerde Fifth Generation
computer uit. In Nederland gingen eindelijk in 1981 de universitaire
informatica-opleidingen van start.
Van 1984 tot 1993 veroverde de personal computer daadwerkelijk
de huiskamer als ingewikkelde typemachine, spelletjesmachine
en ontwerpapparaat. Diverse branches van industrie en design
veranderden wezenlijk van karakter door het gebruik van de
computer: het kantoor, het grafisch ontwerp, het boekenvak.
Het was ook de tijd van de lelijk geprinte dingen: iedereen
kon zelf zijn producten printen in een onooglijke opmaak en
met lelijke matrixprinters. Apple, Amiga en IBM PC waren kenmerkend
voor dit tijdvak. Internet en de digitalisering van muziek
zette pas echt door in de volgende periode.
In 1989, aan het eind van de hier beschreven periode, valt
de Berlijnse muur. Was er een connectie?